De Subsidieslurper

B. Sam Verhoeven – A.L. Bevrijding Alfa, G.O.B. – O. Gent

A.M.

Gij allen mijn ZZ en BB,

Ik zie een gat en ik spring erin – maar, daarover later meer…

In de zoektocht naar de essentie van mijn BS kwam ik nog niet zo lang geleden tot de conclusie dat ik het niet énkel over ‘cultuur’ wilde hebben. Het moest ook mijn verhaal worden. Over de twijfels, onzekerheden en angsten die mijn grillig vak met zich meebrengt. Maar tegelijkertijd moest het ook een verhaal worden over passie, motivatie ontmoetingen en geluk.

Het woord subsidie is afkomstig van het Latijnse woord subsidium. Dit betekent hulp, assistentie, ondersteuning en versterking. Ja, dat kan zelfs militaire versterking zijn in de vorm van bijvoorbeeld reservetroepen. De term subsidieslurper werd 15 jaar geleden al gebruikt door Geert Wilders en tijdens de Covid-pandemie nam ook Jan Jambon het regelmatig in de mond. Als het woord gebruikt wordt, dan heeft dit meestal een negatieve betekenis. Maar is dat ook zo?

Het woord subsidie is allesbehalve negatief, want het staat voor hulp en ondersteuning. Dat klinkt zelfs heel broederlijk. Een slurper* is iemand die gulzig kan genieten. Als je die twee samenvoegt, ontstaat er een soort ‘gulzige hulp’… Wat is er mis met mensen die ontmoetingen, raadgevingen en rolmodellen lustig opslurpen? Subsidies bestaan in vele vormen en soorten en hebben meestal niets met geld te maken.

Ik ben dit jaar 25 jaar werkzaam in de Vlaamse theaterwereld. Ik acteer, ik zing, ik componeer, ik ben producent van musicals en theaterstukken en ben directeur van een vrij bekend theater in Antwerpen. De rol van “De Subsidieslurper” zal dan ook logischer wijs, hedenmiddag, door mezelf gespeeld worden.

De maçonnerie heeft mij de afgelopen jaren veel gegeven. Het heeft mij vandaag onder andere de kracht gegeven om mij open te stellen tegenover mijn ZZ en BB. Ik zie een gat en ik spring erin. Vandaag ga ik dit eens heel bewust doen.

Zelf aankloppen of gevraagd worden?

Op 16 juli 2026 zal het exact 25 jaar geleden zijn dat ik mijn professionele loopbaan mocht starten. Die dag begonnen de repetities van de musical “Kuifje – De Zonnetempel” waarin ik – als 20-jarig broekventje – deel uitmaakte van het ensemble en understudy was van de hoofdrol. Hoe het ooit zover is kunnen komen, is eigenlijk heel bijzonder. Ik ben in 1981 uit een broek geschud en kwam terecht in een grote familie van schrijnwerkers, automecaniciens, voetballers en motorcrossers. Geen van mijn 24 nonkels of tantes, geen van mijn 38 neven of nichten hadden ooit toneelgespeeld, konden geen noot muzieklezen en hadden, volgens mij, nog nooit één stap in een theater gezet. Ik heb als kind dikwijls gedacht dat ze mij bij de geboorte per ongeluk

hebben verwisseld. Anderzijds zou je ook kunnen stellen dat dit de eerste subsidie was die op mijn levenspad kwam: de subsidie van het toeval.

Al van in de kleuterschool was ik tijdens de schoolfeesten niet weg te slaan van het podium. De leraar van het eerste studiejaar riep mij regelmatig in het midden van een les naar voor en vroeg me dan om: “nog eens een sketch van “Gaston & Leo” te spelen.”

Op mijn 16e ben ik bijna van de middelbare school gestuurd omdat ik de handtekening van de directeur had vervalst om alsnog een hoop studenten bij mekaar te krijgen die mijn orkest zouden zijn tijdens het spelen van mijn eigen versie van “The Phantom Of The Opera”.

Op mijn 18e spijbelde ik, om in ‘t geniep met de trein van Lier naar Antwerpen te gaan, om onaangekondigd binnen te vallen in de Stadsschouwburg, waar er op dat moment audities werden gehouden voor “Les Misérables”. Ik mocht terstond schoorvoetend terug naar het station wandelen.

Dat is wat ik bedoel met: “ik zie een gat en ik spring erin”. Hoe jonger je bent, hoe sneller je springt. Je bent bevlogen, ambitieus, onverschrokken en tegelijkertijd ook naïef. Want, je gelooft oprecht dat heel de wereld op jou aan het wachten is. Waarom stapt zo’n broekventje de trein op om auditie te gaan doen – terwijl hij zelfs zijn middelbaar diploma nog moet behalen? Het is naar mijn mening de subsidie van het impulsieve karakter.

Ik ben altijd anders geweest. Ik was niet handig. Voetbal en motorcross interesseerde me niet. Ik wilde niet naar de vakschool gaan om schrijnwerker te worden. In de ogen van ‘de rest’ was ik contrair. Tegendraads. Ik kon niet normaal doen. Zelfs schrijven kon ik niet normaal. Als enige van de familie bleek ik linkshandig te zijn. En dan moest ik mijn ouders nog gaan uitleggen dat ik op jongens viel. Dat wist ik al van mijn 8 jaar. Ik zag toen – in 1989 – een televisiedocumentaire over Wim Sonneveld. Er zijn op dat moment twee dingen gebeurd die heel veel betekend hebben voor het verdere verloop van mijn leven. Allereerst was ik gefascineerd door de veelzijdigheid van Sonneveld – die in ’89 al 15 jaar dood was, nota bene. Sinds die dag durf ik te stellen dat ik één van de allergrootste Sonneveld-fans ben die er bestaan. Maar de tweede – wellicht nog belangrijkere – gebeurtenis tijdens het bekijken van die documentaire, was dat ik voor het eerst het woord homoseksueel hoorde.

U begrijpt, lieve ZZ en BB, dat een kind van acht in 1989 niet weet wat dat woord betekent. Ik heb toen maar aan mijn grootmoeder gevraagd wat nu eigenlijk een homoseksueel is en het lieve mens verslikte zich op dat moment dusdanig in haar koffie dat ze alle kleuren van de regenboog kreeg om vervolgens astmatisch uit te proesten dat ik daar nog veel te jong voor was.

Wim Sonneveld was (en is) voor mij een constante geweest van toen tot nu. Ik bewonder hem omdat hij alles kon en alles deed. Hij was niet alleen een uitmuntend uitvoerder, maar hij kan ook creëren, hij had een eigen gezelschap waarvan hij zowel zakelijk als artistiek leider was, hij regisseerde, hij investeerde in de ontwikkeling van jong talent. Kortom, een unieke persoonlijkheid die meer dan 50 jaar na zijn overlijden nog steeds relevant is in het huidige cultuurlandschap. Het feit dat hij ook homoseksueel was, maakte het voor mij alleen maar boeiender.

De ontdekking van een allrounder als Wim Sonneveld deed mij beseffen dat alles mogelijk is, als je het zelf wilt. En zo kruiste een heel belangrijke vorm van ondersteuning mijn pad: de subsidie van de rolmodellen.

(Dit is het laatste lied dat Sonneveld heeft opgenomen, een paar maanden voor zijn plotse overlijden in maart 1974. De tekst werd geschreven door zijn levenspartner Friso Wiegersma, die ook de tekstschrijver was van “Het Dorp”.)

Als je als puber omringd wordt door mensen die allemaal anders zijn, dan word je heel onzeker. Die onzekerheid probeerde ik om te zetten in een soort vastberadenheid. Ik wilde bewijzen dat ik niet zomaar anders was, maar dat ik ook echt iets kon. Ik ging naar de muziekschool en leerde pianospelen, ik ging op zangles, ik sloot mij aan bij een toneelkring in Lier en op mijn 18e besloot ik om ingangsexamen af te leggen aan het conservatorium van Gent, richting klassieke zang. Een opmerkelijke keuze, want mijn hart lag resoluut bij het genre musical. Maar ik had mezelf wijsgemaakt dat ik eerst degelijk moest leren zingen en zoals al eerder gezegd: als ik een gat zie, dan spring ik erin. Gewapend met een bundel liederen, van Franz Schubert, John Dowland, Guiseppe Verdi en toch ook één musicalliedje, namelijk: “The Impossible Dream”, teende ik in de zomer van 1999 naar de Hoogpoort in Gent voor mijn toelatingsproeven. Ik mocht direct beginnen en de legendarische Erika Pauwels werd mijn zangdocente.

1999 was wel een heel bijzonder jaar. In februari werd ik 18, ik mocht beginnen aan het conservatorium van Gent en met een aantal vrienden – die ik kende van de Lierse toneelkring – hadden wij een eigen musicalgezelschap opgericht, de vzw Judas TheaterProducties. En met dat musicalgezelschap brachten wij – jonge mensen, allemaal van dezelfde leeftijd – ambitieuze producties. “Jesus Christ Superstar” werd onze debuutmusical. (De naam Judas TheaterProducties is ontstaan vanuit die musical, niet per sé omdat we Jezus TheaterProducties onnozel vonden klinken, maar eerder omdat ik destijds de rol van Judas speelde.) We deden álles zelf: regie, choreografie, muzikale leiding, decorbouw, licht, geluid, sponsoring ophalen, affiches maken, tombola’s, braderijen, wafelenbak, … Noem het maar op en we deden het. We bouwden in Lier zelfs een leegstaande kerk om tot een theater waar plaats was voor 280 personen. Pop-up avant la lettre.

En dat allemaal in combinatie met een studie klassieke zang aan het Gents conservatorium. U begrijpt, lieve ZZ en BB, dat die studie eigenlijk een kroniek van een aangekondigde dood werd.

We zijn nog niet halfweg, mijn beste ZZ en BB, en er zijn al een aantal essentiële subsidies de revue gepasseerd. De subsidies van het toeval, die van het impulsieve karakter, de subsidie van de rolmodellen en de subsidie van de ondersteuning. Dat laatste zou een tautologie kunnen zijn omdat subsidie ook ondersteuning is. Ik prefereer in dit BS echter het woord versterking als definitie voor subsidie. Omdat alle eerder vernoemde subsidies me sterker hebben gemaakt en me hebben gevormd tot de persoon die ik vandaag ben.

Ik heb nóóit kunnen kiezen. Ik heb nooit enkel zanger of acteur willen zijn. Tijdens een reeks van 200 voorstellingen had ik het na de 15e voorstelling al wel gezien en begon ik met te vervelen. Ik wilde op het podium staan en tegelijkertijd ook ernaast. Ik wilde die liedjes zingen, maar ik wilde ze ook zelf maken. Ik wilde doodgraag ooit “The Phantom Of The Opera” spelen, maar ook de producent zijn. Omdat ik het interessant vond om te weten hoe een productie ontstaat, hoe dingen geregeld worden, hoe iets from scratch wordt gecreëerd. Ik kon en wilde niet kiezen. Ik weigerde weggestopt te worden in een vakje. Want, dat is iets waar wij – mensen – zeer straf in zijn: labelen.

In februari 2001 stopte ik definitief met mijn studie Klassieke Zang, tot grote teleurstelling van Erika Pauwels die vond dat ik een grote carrière – en vooral veel geld – liet liggen. Het kon me niet schelen. Ik was ongelukkig. Net 20 geworden en totaal geen idee hoe het met mij verder moest. Ik had mij ingeschreven voor de toelatingsexamens van het Fontys conservatorium in Tilburg, die in april zouden plaatsvinden. Maar, mijn ouders weigerden die studie te betalen na mijn twee mislukte Gentse schooljaren. Ik kon ze geen ongelijk geven. Tegen beter weten in ben ik in april toch naar Tilburg gegaan. Ik mocht naar de tweede ronde en midden mei 2001 kreeg ik bericht dat ik was toegelaten.

Op datzelfde moment speelde ik in een heel bizarre musical genaamd: “Race”. Ik bespaar u de korte inhoud van het verhaal, want daar was werkelijk geen touw aan vast te knopen, ik herinner mij alleen nog dat ik nogal een grote rol speelde en dat we eind mei 2001 in première gingen in CC De Stroming in Evergem.

Tijdens de première van “Race” is er iets gebeurd wat een enorme impact heeft gehad op het begin en het volledig verdere verloop van mijn carrière. In de zaal zat onze goede B Frank Van Laecke. Dat wist ik al vóór de première begon – want dat was voor een aantal personen best spannend. Het beste vriendje van (ondertussen) Z Florence (dochter van B Frank) speelde namelijk mee in “Race”. En hier bevinden we ons op een knooppunt van allerlei subsidies: toeval, impulsiviteit, talent, rolmodellen en ondersteuning komen hier allemaal samen.

Na de première was ik mij in mijn loge aan het omkleden toen de deur openzwaaide en B Frank binnenstormde – omdat hij nu eenmaal nooit binnenwandelt. Terwijl ik nog in mijn onderbroek stond, engageerde hij mij per direct voor de musical “Kuifje – De Zonnetempel”, als ensemble en understudy Kuifje. Ik moest het wel direct beslissen, want op 16 juli begonnen de repetities al en ik zou de laatste zijn die gecast werd.

Een paar dagen later zat ik, in de schaduw van de Antwerpse Stadsschouwburg op het terras van Taverne De Markt, met een zekere Anne Bossens die de productieleidster bleek te zijn. Zij noemde het een contractbespreking, ik had geen flauw idee wat dat was. Zij moest onderhandelen over mijn loon – ik wist zelfs niet dat ik zou betaald worden voor mijn deelname aan die musical. Het bedrag dat zij noemde vond ik prima. Pas later begreep ik dat ik dit bedrag maandelijks zou krijgen. Ik ging ervanuit dat dit een totaalbedrag was voor de komende 7 maanden.

Ik voelde mij rijk, een beetje bang, nieuwsgierig, opgewonden, nerveus en uitgelaten. Maar vooral: ik was gelukkig.

Tussen 11 september 2001 (jawel) en 15 februari 2002 speelden we maar liefst 168 voorstellingen van “Kuifje – De Zonnetempel”. Tijdens die speelperiode waren we op maandag en dinsdag vrij en schreef ik mijn eerste eigen musical, met de prangende titel: “Je negeert de waarheid”. Een über-dramatisch verhaal over de liefde tussen twee Amerikaanse soldaten tijdens WOI. Het was jong, bevlogen en veel, maar het was ook het afsluiten van mijn jeugdhoofdstuk en het einde van het ‘anders zijn’.

Zowel “Kuifje – De Zonnetempel” als de première van mijn eerste eigen musical, in november 2001, hebben mij veel mooie ontmoetingen cadeau gedaan. De première van mijn eigen musical bracht mij trouwens voor het eerst in het Fakkeltheater. Een plek die later nog heel betekenisvol voor mij zou worden.

Ik heb nooit kunnen kiezen. Mijn droom om in een musical mee te spelen werd waar en tegelijkertijd schreef en produceerde ik er een andere. Het is alsof je zelf aanklopt op de Tempelpoort, terwijl je tegelijkertijd al gevraagd bent door een B of Z. Noem het drang, ambitie, gulzigheid, gedrevenheid of onrust: ik zie een gat en ik spring erin.

(Ouverture van de tweede akte uit mijn eerste schrijfsel: “Je Negeert De Waarheid”. Deze opname werd gemaakt in februari 2006 tijdens de herneming van de musical in de Rode Zaal van het Fakkeltheater.)

De Zoekende LL

Vlaanderen – en bij uitbreiding België – heeft een enorm subsidiemechanisme. Cultuur is – zoals u allen weet – een Vlaamse bevoegdheid en speelde in de zestiger en zeventiger jaren van de vorige eeuw een belangrijke rol in de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Maar, naarmate er meer en meer bevoegdheden werden overgeheveld naar Vlaanderen, hoe kleiner het totaalbudget voor cultuur werd.

Toen wij – als bevlogen tieners – in 1999 ons musicalgezelschap oprichtten, kregen we de tip van één van de ouders van mijn medeoprichters om subsidies aan te vragen bij de Stad Lier. Het is iets typisch Vlaams. In elke vereniging zit er wel iemand die bij de gemeente werkt, of stadsambtenaar is, of zelfverklaarde beste vriend van de één of de andere schepen of burgemeester is. Wij trokken dus naar ’t stadhuis van Lier en we werden erkend als culturele amateurvereniging. Iemand van ons moest wel om de twee weken op zaterdagochtend aanwezig zijn op de Lierse cultuurraad – wat voor elke 18-jarige een ongemeen saaie bezigheid was en een vreselijke opoffering van de zaterdagochtend na een zware vrijdagavond. Het resulteerde wel in een jaarlijkse werkingssubsidie van 15.000 Belgische Frank. Dat bedrag was wat het was, maar een bijkomend voordeel was wel dat je gebruik kon maken van stadsmateriaal, zoals praktikabels, tenten, tribunes, stoelen, technisch materiaal en wat werkvolk. Voor ons handig, aangezien wij op eigen kracht een leegstaande kerk tot een theater aan het ombouwen waren.

Musical is duur – ook voor amateurs. Grote cast, een orkest, belichting, zendmicrofoons, orkestversterking, grote repetitieruimtes voor choreografieën enzoverder, enzovoort. Al in 2002 besloten we om een samenwerking aan te gaan met een Mechelse musicalvereniging waarin ik destijds ook betrokken was. Het resultaat was dat we, door die samenwerking, aanspraak konden maken op Lierse én Mechelse

subsidies. Want beide verenigingen waren erkend. In Mechelen lag het cultuurbudget voor amateurverenigingen opmerkelijk hoger. Maar, begin 2006 gingen beide verenigingen uit mekaar na een dispuut. De oudere garde van de Mechelse vereniging wilde niet langer mee met de professionalisering van de jonge Lierse garde. Ik was toen al vijf jaar aan het werk in het professionele musicalcircuit, met als gevolg dat ik snel beroep kon doen op goeie zangers, acteurs, geluidstechnici en muzikanten.

Een logische stap was dus dat we Judas TheaterProducties in 2006 omvormden tot een professioneel musicalgezelschap dat zich wilde toeleggen op kleinschalige, originele Vlaamse musicals. Ik sta bewust niet te lang stil over mijn 7 ‘liefhebbersjaren’ om de doodeenvoudige reden dat deze manier van subsidiëring bij velen onder u bekend is. Iedereen die actief is binnen een vereniging of een lokale vzw tracht op zoveel mogelijke manieren lokale subsidies los te weken – meestal via een gemeente- of stadsbestuur of via de provincie.

Er is één essentieel element dat ik wel nog even wil uitlichten, namelijk de subsidie van de genen. Mijn grootvader langs moeders kant is zijn leven lang kruidenier geweest. Een lokale middenstander uit Kontich die 50 jaar lang zijn winkel heeft uitgebaat en daar altijd zijn ziel en zaligheid heeft ingelegd. Hij kende al zijn klanten. Naast een uitstekende kwaliteit bood hij ook een luisterend oor aan. Hij was empathisch, oprecht geïnteresseerd en had een warm hart voor zijn lokale gemeenschap. Toen hij 3 jaar geleden op 91-jarige leeftijd overleed, zat de kerk bomvol. Omdat vele Kontichnaars hem herinnerde als die warme, hardwerkende en empathische kruidenier. Ik vertel graag dat ik veel van hem heb meegekregen. Ik ken ook alle mensen waarmee ik werk of gewerkt heb en ik ken ook nog alle mensen die tijdens die beginjaren bij ons vrijwillig speelden, zongen, dansten, decor bouwden, sponsoring ronselden of ervoor zorgden dat alle lidgelden betaald werden.

Elke vereniging heeft zo’n mensen nodig. Dat weten wij vrijmetselaars ook. Omdat ons principe gebaseerd is op diezelfde sociale verenigingswaarden.

De Ploeterende G.

De LL heeft nu alle tools in handen om verder te bouwen aan zijn weg. Hij moet gaan reizen.

Ik wilde binnen het bestaande, veelal commerciële Vlaamse musicallandschap het verschil kunnen maken. Een krantenkop uit 2008 noemde ons ‘het Canvas van de Vlaamse musical’. Mooi, maar we moesten ons nog wel bewijzen. En om ons te kunnen bewijzen hadden we geld nodig. Veel geld. Het verschil tussen liefhebbers en professionelen is heel klein, behalve dan dat liefhebbers betaalden om te mogen meespelen en professionelen betaald dienen te worden om te willen spelen.

Begin 2007 dienden we ons eerste Vlaams subsidiedossier in. Ik speelde in die periode mee in de herneming van “Kuifje – De Zonnetempel”. Aan die productie heb ik weinig mooie herinneringen, want ze viel letterlijk bijna uit mekaar. Als we een voorstelling hadden gespeeld, waren we allemaal zo opgelucht dat we nog leefden dat dit dagelijks gevierd werd in het lokale café tegenover de Antwerpse stadsschouwburg. Het is daar

dat ik mijn peter B Jelle goed heb leren kennen. Het enige échte memorabele dat mij letterlijk en figuurlijk is bijgebleven van die herneming.

Tijdens die speelperiode van “Kuifje – De Zonnetempel” – en ook in de periode ervoor en erna – trachtte ik met verschillende productiemedewerkers gesprekken aan te knopen. Ik moest een subsidiedossier opstellen van minimaal 40 pagina’s en ik wist totaal niet hoe ik hieraan moest beginnen. Het viel me meteen op dat iedereen binnen het departement productie de lippen stijf op mekaar hield. En zo is dat altijd geweest en zo gaat het nog steeds. Zolang je door de Vlaamse overheid niet erkend wordt, zolang je geen lid bent van OKO (Overkoepelend Kunstenoverleg) en zolang je nog nooit één cent subsidie hebt mogen ontvangen: moet je het zelf maar uitzoeken.

In 2007 dus, vroegen wij voor het eerst een projectsubsidie aan bij de Vlaamse Overheid, departement cultuur. Zo’n dossier heeft twee luiken: de artistieke verantwoording en de financiële. In het artistieke luik dient rekening gehouden te worden met de sociaal-maatschappelijke relevantie van het project, de artistieke visie moet van A tot Z uitgewerkt worden en er moeten op z’n minst intenties zijn tot out of the box engagementen of samenwerkingen met andere organisaties. Het financiële luik is voor de dossier-neofiet in deze materie de echte nachtmerrie. De overheid voorziet een aantal Excel-sjablonen die ingevuld moeten worden. De begroting moet kloppen tot na de komma en al die sjablonen zijn onderling aan mekaar gelinkt. Voor iemand die nog geen onderscheid tussen debet en credit kan maken is dit pure, onvervalste horror. Ik hoef u dan ook niet uit te leggen dat ons eerste subsidiedossier over de gehele lijn negatief werd beoordeeld.

Hoewel een beetje teleurgesteld, dreef de ambitie ons toch voort om op zoek te gaan naar andere vormen van financiering. Het kabinet van minister van cultuur Bert Anciaux raadde ons aan om gebruik te maken van een nieuwe kredietlijn die in 2006 opgezet was door de minister zelf, genaamd CultuurInvest. Een investeringskrediet dat specifiek bedoeld was voor organisaties werkzaam in de culturele sector en voor creatieve ondernemers. We stuurden deze mensen een mail met de gevraagde informatie en binnen een periode van 10 weken werd er maar liefst € 70.000 op onze rekening gestort. Na het verteren van de feestelijkheden en de talrijk ontkurkte flessen Champagne besloten we de kleine lettertjes en voorwaarden van het ontvangen CultuurInvest eens te lezen. Een zware ontnuchtering. De interest op het krediet liep op tot 10%, de terugbetalingsmodaliteiten waren gebaseerd op het percentage van de winst die we zouden maken bij het spelen van onze producties en binnen de 24 maanden zou het volledige krediet moeten afgelost zijn. De zoekende leerling transformeert met de snelheid van het licht naar een ploeterende gezel die af en toe gevaarlijke reizen moet ondernemen.

Mijn wereld- en mensbeeld was destijds nogal naïef, vrees ik. Ik ging er van uit dat mensen ons wel zouden ondersteunen omdat we de allerbeste ideeën van allemaal hadden. Lange tijd heb ik zelfs geloofd dat er een moment zou komen dat iemand van CultuurInvest zou bellen en zeggen: “Amai, jullie maken zo’n mooie dingen. Weet ge wat? Ge moet dat geld niet terug te betalen!”.

Niets was minder waar.

Het was najaar 2007 en we zouden onze eerste kleinschalige productie spelen: “The Party Is Over” met Anne Mie Gils. Een kleine one woman musical waarin 10 vrouwelijke artiesten die allen te jong gestorven waren, de leidraad vormden. In juni 2008 zou onze eerste musical in première gaan: “The Last 5 Years” – met de toen onafscheidelijke Jan Schepens en Ann Van den Broeck in de hoofdrollen. Het Fakkeltheater werd onze uitvalsbasis. We hadden daar in 2001 en 2006 mijn musical “Je negeert de waarheid” al gespeeld en in 2003 speelde ik in de Rode Zaal mee in een musical met David Davidse, waarvoor ik ook de muziek had geschreven. 25 jaar geleden kwam ik dus voor het eerst in het Fakkeltheater en er was een onmiddellijke klik tussen mij en het theater, de mensen die er werkten en het publiek dat over de vloer kwam. Ik werd in 2005 door de toenmalige directeur gevraagd om wekelijks een café chantant op zondagochtend te organiseren, genaamd “Hotel Vocal”. Dit seizoen ben ik bezig aan mijn 21e jaargang met datzelfde café chantant.

Maar tijdens het eerste professionele seizoen van Judas TheaterProducties merkte ik dat de toenmalige programmator van het Fakkeltheater niet echt een liefhebber was van het kleinere, maar kwalitatieve(re) musicalrepertoire. Onze eerste grote productie mocht pas in juni 2008 in première gaan – terwijl talloze debuterende stand-upcomedians de mooiste periodes van een theaterseizoen, lopende van oktober tot en met april, probleemloos aangeboden kregen. Ik legde mijn oor te luisteren bij een aantal andere, in het Fakkeltheater residerende, gezelschappen en merkte een breed gedragen frustratie over dit programmeringsbeleid.

Omdat we met onze grote musical “The Last 5 Years” mikten op de musicalliefhebbers, die doorgaans jonger zijn en omdat jongeren hun agenda’s in juni ingepalmd wordt door examens, had ik al snel door dat we flink veel geld zouden verliezen. De terugbetaling van CultuurInvest voelde als een loodzware molensteen. Furieus besliste ik dat het financieel mislukken van “The Last 5 Years” de schuld was van die debiele programmator van het Fakkeltheater.

Gesteund door andere instemmende producenten en gezelschappen ging ik behoorlijk kwaad naar de toenmalige directie van het Fakkeltheater. Daar werd bezorgd gereageerd, maar uiteindelijk werd er geen verdere actie ondernomen. U moet weten dat de toenmalige directie bestond uit 3 mannen die, sinds de oprichting van het Fakkeltheater, onafgebroken betrokken waren bij de werking van het theater. Ze hadden grote verdiensten, maar zagen op dat moment niet in dat een stap opzijzetten, ten voordele van de jongere generatie, hun theater meer zou baten dan schaden.

Mijn ZZ en BB… Ik zie een gat en ik spring erin.

Gesteund door twee, niet onbelangrijke en invloedrijke heren, Jan Verbist (regisseur bij het toenmalige Koninklijk Jeugdtheater) en Herman Van Hove (bekend uitgever en laatste manager van Toon Hermans), werkte ik een langetermijnvisie uit voor het Fakkeltheater. In april 2009 enterden wij de vzw Fakkeltheater en werden we toegelaten tot de raad van bestuur.

Ik moet mijn geliefde Fakkeltheater een beetje duiden. Zeventig jaar geleden, in 1956, richtte een groep jonge idealisten, allen met een achtergrond bij het stedelijk onderwijs, de vzw Fakkeltheater op. Vanuit een links engagement werden er dus stukken

geprogrammeerd met een sociaal-maatschappelijke achtergrond. Het was de tijd van de kamertheaters uit de jaren ’50 en ‘60 van de vorige eeuw. In 1960 openden deze mensen hun eerste zaaltje in het centrum van Antwerpen en gaandeweg groeiden zij uit tot een gezelschap dat per seizoen meer dan 650 eigen voorstellingen speelden. Het Fakkeltheater ontving vanaf de jaren ’60 subsidies – en geen klein beetje. We zitten midden in de verzuiling en wat de traditioneel (rechtsere) stadtheaters ontvingen aan subsidies werd recht evenredig uitbetaald aan de kleinere, linksgeoriënteerde kamertheaters. Eind jaren ’80 was het Fakkeltheater uitgegroeid tot een theater waar meer dan 60 mensen tewerkgesteld werden. Tot in 1992 de toenmalige CVP-minister van cultuur Hugo Weckx een grondige subsidiehervorming aankondigde. Bekende instellingen zoals de KNS en het KJT werden omgevormd tot Het Toneelhuis en Het Paleis en het Fakkeltheater raakte van de ene dag op de andere alle subsidies kwijt. Het is vanuit deze traumatische ervaring dat mijn entrée als directeur moet bekeken worden.

Na de subsidiestop vormde de toenmalige directie het Fakkeltheater om tot een receptief theater omdat men het patrimonium (de fysieke zalen) niet wilde verliezen.

Toen wij in april 2009 in de Raad van Bestuur van het Fakkeltheater stapten, kwamen we terecht in een stoffig en uitgeblust theater dat de afslag naar de 21e eeuw volledig had gerateerd.

In samenwerking met een aantal andere jonge, professionele gezelschappen probeerden wij in de periode tussen 2009 en 2014 het Fakkeltheater terug op de kaart te zetten. En wat heb je nodig om een theater een nieuwe impuls te geven: publiek. En dat publiek komt pas als er voldoende interessant aanbod is. En wij – als jonge veulens – vonden ons aanbod heel interessant!

De eerste grote musical van Judas TheaterProducties, “The Last 5 Years”, was – zoals eerder vermeld – een financiële flop, maar kon wel rekenen op een grote artistieke erkenning. In het najaar van 2008 ontvingen we 4 Vlaamse Musicalprijzen (die bestonden toen nog), waaronder de hoofdprijs: ‘Beste Musical’.

En vanaf toen ging het snel… In 2009 ontvingen we voor het eerst een projectsubsidie van de Vlaamse overheid. Een bescheiden bedrag van € 27.500 weliswaar, maar het bracht optimisme en perspectief. Begin januari 2011 kregen we voor het eerst een grote projectsubsidie. Onze musicalcreatie “Lelies”, een intiem coming of age verhaal, werd beloond met een subsidie van € 168.000.

En in de zomer van 2012 kregen we een structurele erkenning als gezelschap. Van 2013 tot en met 2016 ontvingen we een jaarlijkse subsidie van € 435.000.

De reizen van de Gezel hebben geloond. Het is tijd om aan de laatste reis te beginnen.

(Een cover van een origineel Josephine Baker liedje, gezongen door de cast van onze musical “Josephine B”. In 2013 was dit de eerste productie die we als structureel gesubsidieerd musicalgezelschap maakten, toen nog met zangeres Leki in de hoofdrol. In 2022 werd de musical grondig herwerkt en met veel succes gespeeld in Vlaanderen, dit keer met Sandrine Van Handenhoven in de hoofdrol.)

IV. De Jonge M.

De reizen die de ploeterende Gezel heeft ondernomen, hebben ervoor gezorgd dat er veel van zijn dromen verwezenlijkt werden. Hij heeft zijn persoonlijke subsidies aangewend en door middel van passie, kracht en doorzettingsvermogen heeft hij als beloning ook geldelijke subsidies vergaard. Het is een leerschool geweest, gevolgd door talloze reizen. Hij mag zich met recht een jonge Meester noemen.

Maar, waar de jonge Meester nooit bij heeft stilgestaan is het beleid. Want cultuursubsidies zijn onderworpen aan de grillen van de politicus van de dag. Elke paar jaar verschijnt er wel een nieuwe minister met nieuw kabinet ten tonele en allemaal willen ze andere accenten leggen. De ene keer is het internationaal aspect belangrijk, de andere keer is het Vlaamse karakter belangrijker. Vandaag moet er gestreefd worden naar totale inclusiviteit en morgen moeten er weer meer mensen van ‘eigen bodem’ kansen krijgen. Maar wat die nieuwe decreten en subsidiereglementen ons ook opleggen, de keerzijde is dat er elke legislatuur opnieuw bespaard moet worden.

En zo verloor Judas TheaterProducties eind 2016 zijn structurele subsidies en we hebben ze – ondanks verwoede pogingen – nooit meer teruggekregen.

Minister Sven Gatz en zijn opvolger Jan Jambon waren niet mals voor de Vlaamse musical, maar ze spaarden ook het Fakkeltheater niet. Na de subsidiestop in 1993 werd er oogluikend besloten om het Fakkeltheater toch nog een toelage te geven in de vorm van loonsubsidies: de befaamde GESCO- en DAC-statuten. Deze vormden tot 2015 een certitude in het financiële beleid van het Fakkeltheater. In totaal werd er jaarlijks voor € 350.000 aan loonsubsidies uitgekeerd en dit zorgde ervoor dat ik – als nieuwe directeur – de focus kon blijven leggen op investeringen en innovaties, want de lonen van mijn 14 werknemers konden betaald blijven worden.

In 2016 werd beslist om zowel de GESCO- als DAC-statuten voor de culturele sector te elimineren door middel van een uitdoofscenario. Begin 2020 hadden we niks meer.

En toen begon COVID-19… De culturele sector werd zeer zwaar getroffen en tot begin 2022 werd er door Jan Jambon een kat-en-muisspel gespeeld. Dan was het open, dan was het dicht, dan was het anderhalve meter, dan waren het vaccins, dan kwam er een Culturele Activatie Premie (kortweg CAP) en een paar maanden later mochten de helft van de aanvragers hun CAP terugbetalen wegen plots gewijzigde regels omtrent de facturen die voorgelegd moesten worden… Een prikkelbare minister van cultuur noemde ons in die periode: ‘subsidieslurpers’.

U voelt dat ik het einde van mijn BS nader…

De hele COVID-situatie heeft mij doen inzien dat je je nooit afhankelijk mag maken van politici, kabinetten en commissies. Zij komen en gaan. De graadmeter was, is en zal altijd het publiek zijn. In die 20 COVID-maanden is er de niet aflatende steun geweest van al die mensen die het theater zo misten: de ontmoetingen, het avondje uit, de beleving, de verwondering. En hoewel velen onder ons – inclusief mezelf – in 2020 en 2021 amper een podium zagen (enfin, ik zag het wel, maar het was altijd leeg), gaf het mij toch een enorme motivatie om erin te blijven geloven. Het zorgde voor een nieuwe adem, een nieuw perspectief. En de VM heeft mij daarin heel erg geholpen…

V. De Neofieten van morgen

Het woord subsidie is afkomstig van het Latijnse woord subsidium. Dit betekent hulp, assistentie, ondersteuning en versterking. Ja, dat kan zelfs militaire versterking zijn in de vorm van bijvoorbeeld reservetroepen. Dit brengt mij bij de – tot nu toe – laatste subsidie die ik heb mogen ontvangen: de subsidie van de VM.

Vrijmetselaars dienen een doel dat gebaseerd is op hulp, ondersteuning, zorg en versterking. Versterking van de geest door middel van schoonheid, kracht en wijsheid. Hulp voor de BB en ZZ die het moeilijk hebben, ondersteuning voor zij die zoekende zijn. De broederketen is volmaakt. Het is weliswaar een komen en gaan, maar de keten is eindeloos zolang er BB en ZZ zijn die blijven kappen aan hun ruwe steen om ze de volmaakte Tempel der Mensheid na te streven.

Die zorg wil ik ook geven aan jonge, getalenteerde, creatieve en zoekende mensen, die als kunstenaar iets willen bereiken, net als ik meer dan 25 jaar geleden. Ze hebben de schoonheid al gevoeld, er is al passie ontwaard. Ze weten alleen nog niet hoe ze nu verder moeten.

Ook hier ligt een duidelijke parallel met de VM. De Meester heeft de plicht om deze neofieten in spé te begeleiden. Zodat hun talent fijnmazig te kan stromen, waardoor ze gaan leren en reizen. Zodat ze ervaring opdoen. Tot ook zij op een punt komen om hun ervaringen te delen met weer een nieuwe generatie.

To dream the impossible dream
To fight the unbeatable foe
To bear with unbearable sorrow
To run where the brave dare not go

To right the unrightable wrong
To love pure and chaste from afar
To try when your arms are too weary
To reach the unreachable star

This is my Quest
To follow that star
No matter how hopeless
No matter how far

To fight for the right
Without question or pause
To be willing to march into hell
For a heavenly cause

And I know if I’ll only be true
To this glorious Quest
That my heart will lie peaceful and calm
When I’m laid to my rest

And the world will be better for this
That one man, scorned and covered with scars
Still strove with his last ounce of courage
To reach the unreachable stars!

AM, gij allen mijn ZZ en BB: ik heb gezegd.

B. Sam Verhoeven A.L. Bevrijding Alfa, G.O.B. – O. Gent

3 maart 2026